Geologie


De stenen in deze collectie zijn ontstaan door vulkaanuitbarstingen heel veel jaren geleden.Door de vulkaan wordt magma uit het binnenste van de aarde naar buiten gestoten en hierin worden allerlei mineralen meegenomen. Door de temperatuur, de druk en de aanwezigheid van bijzondere mineralen krijgen de stenen hun vorm maar wordt ook bepaald hoe zij eruit gaan zien, dit wordt omzettingsgesteente genoemd. Afzettingsgesteenten zijn ontstaan door erosie en afzetting of bezinking van de minerale deeltjes, verplaatst door water (rivieren, zee) of door lucht (wind). Sommige stenen worden al diep in de aarde gevormd en worden daarom dieptegesteenten genoemd, weer andere stenen ontstaan in de gangen in de berg die ontstaan door de uitbarsting van de vulkaan en heten daarom ganggesteente. Andere stenen ontstaan omdat de vloeibare en hete lava gaat stollen en daarom stollingsgesteente wordt genoemd. In de omgeving van Slochteren zijn vroeger geen vulkanen geweest. De stenen die hier gevonden worden zijn afkomstig van vulkanen in Scandinavië. Welke kristallen zitten er in de steen, welke kleur hebben deze kristallen, welke vorm hebben deze kristallen. Veel stenen met bijzondere kristallen zijn specifiek voor een klein of groter gebied. Alleen in dat gebied komt dit mineraal voor en daarom komt deze steen alleen in dit gebied voor. Dit noemt men gidsgesteenten. Je zult je afvragen hoe komen deze stenen van Scandinavië naar Groningen? Tijdens de IJstijden zijn deze stenen door het ijs naar Nederland geschoven/ geduwd. De Hondsrug in Drenthe is ook ontstaan tijdens de IJstijden.

Stollingsgesteenten


Stollingsgesteenten zijn gesteenten die zijn ontstaan door stolling van lava (aan het aardoppervlak) of magma (onder het aardoppervlak). De hoofdindeling van gesteenten is in stollingsgesteenten, afzettingsgesteenten en metamorfe gesteenten.
Stollinggesteenten worden onderverdeeld in 3 vormen:
dieptegesteenten of plutonieten (voorbeelden: graniet, gabbro)
ganggesteenten (voorbeelden: andesiet, doleriet)
uitvloeiingsgesteenten of vulkanische gesteenten (voorbeelden: rhyoliet, basalt)

Dieptegesteenten


Met dieptegesteente wordt een stollingsgesteente bedoeld dat diep onder het aardoppervlak is gestold. Deze stenen zijn langzaam afgekoeld waardoor er veel tijd was voor het uitkristalliseren van de mineralen. Wanneer het magma in het binnenste van de aarde of aan het aardoppervlak geleidelijk afkoelt, stollen de magmavormende stoffen niet gelijktijdig maar bij de voor hen karakteristieke temperatuur. In dieptegesteenten komen hoofdzakelijk bij hoge temperatuur ontstane mineralen voor.

Voorkomen

Dieptegesteenten worden gevormd onder het aardoppervlak en raken ontsloten bij tektonische opheffing. Vaak zijn in gebergten veel dieptegesteenten ontsloten. Dit lijkt tegenstrijdig, aangezien het diepst gevormde gesteente het hoogst wordt gevonden, maar dit is te verklaren door overschuiving van het onderliggend gesteente die ontstaan bij naar elkaar toe schuivende plaatgrenzen.

Soorten

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van dieptegesteenten zijn de granieten. Hun belangrijkste minerale bestanddelen zijn veldspaat, kwarts en glimmer; deze vormen vaak kleine korrels en blaadjes.

Ganggesteenten


Met ganggesteente wordt een stollingsgesteente bedoeld dat niet diep onder en niet aan het aardoppervlak is gestold, maar ertussenin. Typerend voor de ganggesteenten is hun structuur waar enerzijds gelijkkorrelige maar zeer fijn korrelige (micrograniet) mineralen komen anderzijds ook heel grof kristallijnen (pegmatieten) structuren voor.De exacte diepte van kristallisatie kan variëren, belangrijk is dat het magma zodanig langzaam afkoelt, dat in het gesteente kristallen van een redelijke grootte gevormd worden. Het verschil met diepgesteente en uitvloeiinggesteente is de diepte waarop kristallisatie plaatsvindt. Er is geen absolute definitie van wat een ganggesteente en wat een dieptegesteente genoemd wordt, maar over het algemeen worden gesteenten waarin de kristallen makkelijk te onderscheiden zijn (groter dan 1 mm) dieptegesteenten genoemd. De bekendste ganggesteenten zijn de zure granofier en het basische doloriet. Ook pegmatiet wordt soms tot de ganggesteenten gerekend, ondanks de zeer grote kristallen.

Voorkomen

Ganggesteenten worden gevormd onder het aardoppervlak en raken ontsloten bij tektonische opheffing. De ganggesteenten doleriet en granofier worden doorgaans aangetroffen als tussenniveau tussen de varianten, respectievelijk basalt en rhyoliet en de varianten gabbro en graniet. In gebieden waar bepaalde "armen" van een magma geïsoleerd raken van veel aanvoer, maar nog warm genoeg om kristalgroei te bevorderen, worden pegmatieten gevormd. Deze ganggesteenten kennen een grote verscheidenheid aan mineralen en mineraalgroottes, door de verschillende temperaturen waarbij mineralen uitkristalliseren.

Soorten

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van ganggesteente zijn de aplieten en pegmatieten en de granietporfier. Elk van deze soorten heeft zijn eigen karakteristieken. Soms komen ook overgangsvormen tussen de soorten voor.

Uitvloeiinggesteenten


Met uitvloeiinggesteenten wordt een stollingsgesteente bedoeld dat aan het aardoppervlak is gestold, en die het zogenaamde vulkanische glas kunnen bevatten.De uitvloeiinggesteenten verschillen van de dieptegesteenten door hun structuur en uiterlijk. Het is alsof het magma reeds kristallen bevatte tijdens het opstijgen, maar bij het stollen aan de oppervlakte geen gelegenheid meer had om verder uit te kristalliseren. In een grondmassa die of uit zeer fijnkorrelige mineralen bestaat, of zelfs glasachtig is. Uitvloeiinggesteenten bestaan per definitie uit kristallen of zelfs glas. Omdat het stollen van de lava (als magma het aardoppervlak bereikt, wordt er doorgaans gesproken van "lava") zeer snel geschiedt, is er geen tijd voor de mineralen in het uitvloeiinggesteente om kristallen te vormen. Bij zeer snelle stolling, als een "schrikreactie", kan vulkanisch glas (bijvoorbeeld obsidiaan) ontstaan. De meest voorkomende uitvloeiinggesteenten zijn het zure rhyoliet en het basisch bazalt.

Voorkomen

De uitvloeiinggesteenten komen meestal voor in recente of oude vulkanische gebieden en worden doorgaans aangetroffen als bovenste "niveau" boven de gang- en dieptegesteente-varianten. Er zijn verschillende vormen waarin uitvloeiinggesteenten kunnen voorkomen.

Soorten

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van uitvloeiinggesteenten zijn rhyoliet en diabaas. Andere soorten zijn daciet, trachiet, andesiet en bazalt. Elk van deze soorten heeft zijn eigen karakteristieken. Soms komen ook overgangsvormen tussen de soorten voor.

Omzettingsgesteenten


Omzettingsgesteente ontstaat als omzetting uit een ander (bron) gesteente zoals graniet en syeniet onder invloed van de centrale aardwarmte, de druk van daarboven liggende of zich bewegende gesteenten en de onmetelijk lange tijd.In de diepte van de aardkorst kunnen verkittingen door kiezelzuurrijk water optreden; vocht en hoge temperatuur zijn daar ook voorhanden. Maar een andere belangrijke factor is de gesteentedruk waardoor zandkorrels in elkaar worden gedrukt.

Voorkomen

Het meest komen gebroken sedimenten voor welke bestaan uit langs mechanische weg bijeengekomen losse brokjes en afgeronde korrels. In onverharde vorm kennen wij al heel wat gebroken sedimenten. Rivieren vormden de zand- en grind gronden van de hoge helft van Nederland en de rivierklei in de lage helft.

Soorten

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van omzettingsgesteenten is de gneis. Deze meest algemeen voorkomende noordelijke zwerfsteen kunnen wij bestempelen als “gelaagde graniet” waarin alle glimmerblaadjes evenwijdig liggen.

Afzettingsgesteenten


Afzettingsgesteente is gesteente dat ontstaat door gesteentevorming van afgezet sediment of organisch materiaal. Het afzetten van sediment is een verzamelnaam voor processen waarbij deeltjes bezinken of mineralen neerslaan uit water of een andere oplossing. Sediment is afkomstig van elders, waar het door verwering en erosie losgemaakt werd, om daarna door water, wind, massabeweging of ijs naar de plek van sedimentatie te zijn getransporteerd.Sedimentaire gesteenten vormen zich op of vlak onder het aardoppervlak. Hoewel ze maar een zeer klein deel van het volume van de aarde uitmaken, bedekken ze het grootste gedeelte van het aardoppervlak. Sedimentaire gesteenten bestaan gewoonlijk uit lagen, die over elkaar werden afgezet.

Voorkomen

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van afzettinggesteenten is het conglomeraat, een al dan niet verharde grindlaag. Breccie noemen we aardlagen met grove componenten welke niet als grind afgerond zijn maar juist hoekig zijn gebleven.

Soorten

Een van de meeste bekendste soorten afzettingsgesteenten is zandsteen. Er komen veel soorten zandsteen voor die elk hun eigen karakteristieken hebben. Bentheimerzandsteen werd vroeger veel gebruikt voor het maken van sarcofagen of als dekplaat op begraafplaatsen.